U bent hier: Home > Merkenrecht > ‘Husselen met vennootschappen’ baat Nikon camerahandelaar niet
‘Husselen met vennootschappen’ baat Nikon camerahandelaar niet

‘Husselen met vennootschappen’ baat Nikon camerahandelaar niet

Ondanks uitgebreide betwisting heeft de rechtbank ’s-Gravenhage op 16 mei 2012, in navolging van het vonnis van de voorzieningenrechter, een fotocamerahandelaar X veroordeeld voor betrokkenheid als tussenpersoon bij parallelimport van Nikon apparatuur. Merkinbreuk wordt aangenomen, waarvoor X hoofdelijk aansprakelijk is.

Allereerst was er de vraag naar merkinbreuk. Nikon Corp. is houdster van een aantal woord- en beeldmerken. De rechtbank was van oordeel dat Nikon voldoende onderbouwd heeft gesteld dat de Nikon-producten zonder toestemming van Nikon binnen de EER in het verkeer zijn gebracht en door parallelhandel inbreuk is gemaakt op de Nikon-merken. De rechtbank benadrukt dat het verweer van gedaagden dat Nikon niet heeft bewezen dat de producten niet met haar toestemming in de EER op de markt zijn gebracht geen hout snijdt, nu het aan gedaagden is om zich op uitputting van de merkenrechten van Nikon in zin van artikel 13 GMVo te beroepen en de feiten waaruit dat zou volgen te stellen. Ter ondersteuning wijst de rechtbank op de bewijsregel uit vaste rechtspraak dat in beginsel de gedaagde dient te bewijzen dat de merkenrechtelijke beschermde producten door de merkhouder of met diens toestemming in de EER in het verkeer zijn gebracht. (Zie hier en hier.)

Voorts stond ter beoordeling de betrokkenheid van X bij de handel in Nikon-producten. Naar het oordeel van de rechtbank was gedaagde X te kwalificeren als tussenpersoon wiens diensten werden gebruikt door de gedaagde rechtspersonen, nu hij via vele rechtspersonen als bestuurder en aanspreekpunt in het verleden betrokken was geweest bij de parallelimport.

De rechtbank acht de door Nikon gevorderde schade als gevolg van de merkinbreuken aannemelijk en wijst deze dan ook toe. Gedaagde X is hiervoor hoofdelijk aansprakelijk nu hij misbruik heeft gemaakt van het identiteitsverschil tussen rechtspersonen en stelselmatige betrokken is geweest bij de niet toegestane parallelimport van fotoapparatuur. Er werden bij de gedaagde rechtspersonen veelvuldig formeel andere bestuurders aangesteld en aandelen overgedragen aan buitenlandse vennootschappen. Dit husselen met vennootschappen was volgens de rechtbank kennelijk uitsluitend bedoeld om de persoonlijke betrokkenheid van X te verbloemen. Dit heeft echter niet mogen baten. Het misbruik van identiteitsverschillen levert bovendien niet alleen een onrechtmatige daad op van X, maar ook van de rechtspersonen zelf.

Daarnaast wijst de rechtbank op het reeds door de Hoge Raad geoordeelde uitgangspunt dat indien een persoon bevordert dan wel niet voorkomt dat merkinbreuk door een vennootschap wordt gepleegd, terwijl hij daartoe in zijn hoedanigheid tot deze vennootschap in staat is, deze persoon handelt in strijd met de zorgvuldigheid waartoe hij jegens de merkhouder is gehouden. Gelet hierop heeft X als tussenpersoon, bestuurder of feitelijk beleidsbepaler, dan wel als aandeelhouder van de vennootschap onrechtmatig jegens Nikon gehandeld.

Minder interessant, doch noemenswaardig, is het gepasseerde verweer van gedaagde X dat hij niet aansprakelijk is voor de verbeurde dwangsommen door overige gedaagden en de niet-nakoming van het vonnis van de voorzieningenrechter door hemzelf omdat het voor hem onmogelijk was om aan het vonnis te voldoen. De rechter wijst erop dat het volgens art. 611 Rv en vaste jurisprudentie van het Benelux Gerechtshof (BenGH 12 februari 1996, NJ 1996, 344 en 27 juni 2008, NJ 2008, 399) aan de rechter die de betreffende dwangsommen heeft opgelegd is voorbehouden de onmogelijkheid aan het vonnis te voldoen te beoordelen en daaraan consequenties te verbinden.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen