Home > IT Recht > Serie IT-geschillen in de praktijk: ontbinden of opzeggen
Serie IT-geschillen in de praktijk: ontbinden of opzeggen

Serie IT-geschillen in de praktijk: ontbinden of opzeggen

Vandaag het 5e artikel in de serie “IT-geschillen in de praktijk“. In dit artikel staat de vraag centraal hoe om te gaan met een belangrijke vraag bij een IT-geschil: moet de overeenkomst worden ontbonden of beëindigd? Of anders gezegd: hoe kom ik van die overeenkomst af?

In de vorige afleveringen uit deze serie hebben we al stil gestaan bij de vraag of er wel een tekortkoming is, wat veel voorkomende reacties van leveranciers zijn en of er wel sprake is van verzuim van de leverancier of dat er juist sprake is van verzuim van de afnemer. In deze aflevering gaan we er van uit dat al die voorgaande hordes zijn genomen en dat u bent aanbeland bij een duidelijk stadium: u wilt van de overeenkomst af, de vraag is alleen nog hoe.

Ontbinden of beeindigen?

Veel IT-overeenkomsten worden voor langere tijd (vaak enkele jaren) of zelfs onbepaalde tijd gesloten. Wanneer er een geschil ontstaat tussen de leverancier en de afnemer, dan wil de afnemer vaak op een gegeven moment van de overeenkomst af kunnen. Het is daarbij van belang onderscheid te maken tussen de twee wijzen waarop overeenkomsten juridisch gezien – anders dan door normale voltooiing – tot hun einde komen: door ontbinding of door beëindiging (dat laatste wordt ook wel opzegging genoemd). Het kenmerkende verschil is dat na een ontbinding de situatie zo veel mogelijk moet worden teruggedraaid naar de situatie van voor de contractsluiting, terwijl bij een beëindiging de samenwerking eenvoudigweg stopt.

Voorwaarden voor ontbinding

Wanneer er sprake is van een tekortkoming van de leverancier (zie hiervoor de 2e artikel uit deze serie) en de leverancier bovendien in verzuim is (4e artikel uit deze serie), dan staat in principe de mogelijkheid van ontbinding open.

Dat is alleen anders wanneer de tekortkoming de ontbinding niet zou rechtvaardigen. Dat zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn wanneer er slechts sprake van een heel geringe tekortkoming. In de praktijk doet die uitzondering zich echter niet zo heel vaak voor. Als de voorgaande “hordes” – van een tekortkoming en van verzuim – genomen zijn en de eventuele verweren van de leverancier kunnen worden weerlegd, dan zal in de regel de ontbinding mogelijk zijn.

Gevolgen van ontbinding: terugdraaien van situatie…

Het ontbinden van een overeenkomst is dus – behoudens aanvullende afspraken – een betrekkelijk laagdrempelig middel om van een overeenkomst af te kunnen komen. Het is ook een middel met een, op het eerste gezicht, overzichtelijk gevolg. De wet bepaalt namelijk dat beide partijen na een ontbinding de prestaties die al zijn verricht ongedaan moeten maken (artikel 6:271 BW). Met andere woorden: de overeenkomst moet als het ware worden “teruggedraaid”, zodat na de ontbinding de situatie weer wordt zoals die was voor het sluiten van de overeenkomst.

… althans waardevergoeding…

In de IT-praktijk is het ongedaan maken van reeds geleverde prestaties echter vaak maar beperkt mogelijk. Het terugleveren van geleverde hardware zal vaak nog wel mogelijk zijn. Het terugleveren van software wordt echter vaak al lastiger (je kunt de drager inleveren, maar de software kan gekopieerd zijn en aan ingeleverd maatwerk heeft de leverancier vaak niets). Het ongedaan maken van verrichte diensten is veelal onmogelijk (hoe lever je immers gegeven advies terug?).

Wanneer ongedaan maken niet mogelijk is, dan moet in plaats daarvan een vergoeding worden betaald (artikel 6:272 BW). De hoogte van die vergoeding is afhankelijk van de waarde die de geleverde prestatie voor de ontvanger heeft gehad. Het is best denkbaar dat die waarde gelijk staat aan 0 wanneer de geleverde diensten voor de afnemer van geen waarde zijn geweest. De IT-leverancier zal echter veelal geen genoegen nemen met een waardevergoeding van 0. Dat betekent immers praktisch gezien dat de leverancier niets betaald krijgt voor alle geleverde diensten. Er zal dus voorafgaand aan de ontbinding moeten worden overwogen wat (uiteindelijk) een reële waardevergoeding zou zijn, om zo in te kunnen schatten of de route van ontbinding een goede route is.

… en vergoeding van schade

Bij het ontbinden van een overeenkomst is de tekortschietende partij in principe schadeplichtig tegenover zijn wederpartij. Het zogenaamde “positief contractsbelang” moet in beginsel worden vergoed. Met andere woorden: er moet een vergelijking worden gemaakt tussen de situatie dat correct zou zijn nagekomen en de situatie die er zal zijn na ontbinding van de overeenkomst. Het verschil tussen beide situaties moet in principe door de tekortschietende partij worden vergoed. In het volgende artikel in deze serie gaan we dieper in op het onderwerp “schadevergoeding”.

Maar let op specifieke afspraken!

Een belangrijk aandachtspunt bij ontbinding zijn de eventuele specifieke afspraken die over ontbinding zijn gemaakt. Zo wil in het contract of in de algemene voorwaarden van de leverancier nog wel eens staan dat reeds geleverde prestaties geen voorwerp van ongedaanmaking vormen. In dat geval heeft een ontbinding praktisch gezien ongeveer hetzelfde gevolg als een beëindiging van de overeenkomst (daarover hierna meer). Er wordt dan immers, in tegenstelling tot de hoofdregel van de wet, niets teruggedraaid.

Het is ook denkbaar dat ontbinding contractueel is uitgesloten, of dat er hele specifieke nadere (vorm)voorschriften gelden wanneer de ontbinding wordt ingeroepen. Zo staat regelmatig als eis in het contract dat voorafgaand aan ontbinding eerst een ingebrekestelling wordt verstuurd, terwijl dat volgens de wet niet altijd nodig is. Een andere veelvoorkomende eis is dat een bepaald medium wordt gehanteerd, zoals een aangetekende brief of zelfs een deurwaardersexploot. Wanneer dergelijke voorwaarden zijn overeengekomen, zullen ze moeten worden nageleefd.

Voorwaarden voor opzegging

Het opzeggen van een overeenkomst is niet voor alle overeenkomsten wettelijk geregeld. De wet gaat er van uit dat een overeenkomst normaal wordt uitgediend, of – bij wanprestatie – door de wederpartij zal worden ontbonden (zoals hiervoor besproken).

Dat neemt niet weg dat er in de praktijk behoefte bestaat om overeenkomsten op te kunnen zeggen. Dat is met name het geval wanneer partijen een duurovereenkomst hebben gesloten, dus een overeenkomst tot het voortdurend of het gedurende langere tijd verrichten van een bepaalde (reeks van) prestatie(s). Overeenkomsten die geen duurkarakter hebben – bijvoorbeeld omdat ze slechts zien op voltooiing van een specifiek project – kunnen in de regel niet tussentijds worden opgezegd.

Soms wordt  in die opzeggingsmogelijkheid voorzien door de afspraken tussen partijen onderling. De contractsvoorwaarden dicteren dan of, en zo ja op welke wijze, het mogelijk is om de overeenkomst tegen een bepaalde datum op te zeggen. In principe kan, uitzonderingen daargelaten, in die gevallen eenvoudigweg worden teruggevallen op de betreffende contractsvoorwaarden. Verder geldt op grond van artikel 7:408 lid 1 BW dat een overeenkomst van opdracht in principe altijd tussentijds kan worden opgezegd door de opdrachtgever (tenzij hiervan bij overeenkomst is afgeweken).

Het is ook denkbaar dat er niets geregeld is over opzegging. In dat geval zal volgens de Hoge Raad aan de hand van de redelijkheid en billijkheid en de specifieke omstandigheden van het geval moeten worden onderzocht of, en zo ja op welke termijn, opzegging mogelijk is. Het is zelfs denkbaar dat op grond van die redelijkheid en billijkheid opzegging niet mogelijk is zonder hiervoor een voldoende zwaarwegende reden te hebben. In de regel zal echter de uitkomst zijn dat een duurovereenkomst is op te zeggen tegen een redelijke opzegtermijn, ook als er geen sprake is van tekortschieten van de leverancier (zoals wel is vereist voor ontbinding).

Gevolgen van opzegging: einde overeenkomst

Het gevolg van een opzegging is in de regel erg overzichtelijk: de overeenkomst houdt tegen de opzeggingsdatum op te bestaan. Er hoeft in principe, tenzij hierover iets anders is afgesproken, verder niets ongedaan te worden gemaakt (in tegenstelling tot bij een ontbinding, zie hiervoor). Ook hoeven geen andere handelingen te worden verricht. Dit maakt een opzegging vaak laagdrempeliger dan een ontbinding. Het is ook bij een opzegging mogelijk om vergoeding van schade te eisen die het gevolg is van het tekortschieten in de nakoming door de leverancier.

Kiezen voor ontbinding of voor opzegging?

Uit het voorgaande volgt dat het van alle feiten en omstandigheden afhangt of een ontbinding of juist een opzegging de meest verstandige route is. Niettemin zijn er wel enkele vuistregels te geven. Wie primair het geld dat al is betaald terug wil hebben en/of af wil van de verplichting om in de toekomst bepaalde bedragen te betalen, zal zich in de regel eerder op ontbinding dan op opzegging beroepen. Alleen bij een ontbinding ontstaat er immers in beginsel de plicht tot ongedaanmaking (terugbetaling van het betaalde geld). Dat betekent overigens wel dat er sprake moet zijn van een toerekenbare tekortkoming van de leverancier en dat de contractsvoorwaarden niet al te ongunstig zijn.

Wie vooral zo snel en eenvoudig mogelijk van een overeenkomst af wil, zal veelal eerder een beroep doen op opzegging dan op ontbinding. Dit bespaart immers de (soms lastige) discussie over de vraag of er uberhaupt sprake is van een tekortkoming en over het ongedaan maken van de reeds geleverde prestaties en de waardevergoeding die moet worden betaald. Opnieuw geldt ook hier dat de “kleine lettertjes” van grote invloed kunnen zijn op de afweging voor ontbinding of opzegging te gaan.

Verder zal er ook rekening moeten worden gehouden met een eventuele wens om geleden schade op de leverancier te kunnen verhalen. In het laatste artikel uit deze serie zullen we daarom nader ingaan op het vraagstuk rondom schadevergoeding.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen