Home > Privacyrecht > Kogel door de kerk: geen recht op afschrift documenten bij inzageverzoek privacyrecht
Kogel door de kerk: geen recht op afschrift documenten bij inzageverzoek privacyrecht

Kogel door de kerk: geen recht op afschrift documenten bij inzageverzoek privacyrecht

Het Hof van Justitie heeft op 17 juli 2014 een arrest gewezen waarin antwoord is gegeven op prejudiciële vragen van de rechtbank Middelburg en de Raad van State over de strekking van het begrip persoonsgegevens en de reikwijdte van het inzagerecht. Deze beslissing is van belang voor iedereen die persoonsgegevens verwerkt (met name het deel over het inzagerecht).

Achtergronden

Over de achtergronden bij deze kwestie heb ik al eerder geblogd. In de kern komt het neer op het volgende. Een vreemdeling wenst inzage in de zogenaamde “minuut”, waarin een juridische analyse staat, en beroept zich op het inzagerecht uit het privacyrecht. De vraag die vervolgens opkomt is of

  1. het inzagerecht wel van toepassing is (omdat het inzagerecht gaat over recht op inzage in persoonsgegevens en de vraag is of die “minuut” wel een persoonsgegeven is);
  2. zo ja, of dan recht bestaat op inzage in en afschrift van alle stukken, of dat het verstrekken van een overzicht van de verwerkte persoonsgegevens volstaat.

Deze vragen (en enkele andere vragen) zijn als zogenaamde “prejudiciële vragen” voorgelegd aan het Hof van Justitie.

Hof: minuut geen persoonsgegeven, kan wel persoonsgegevens bevatten

Het Hof is in het arrest waarin de vragen worden beantwoord allereerst kort maar krachtig over de privacyaspecten van de “minuut” (een juridische analyse):

39. De juridische analyse in een minuut kan daarentegen weliswaar persoonsgegevens bevatten, maar vormt op zich niet een dergelijk gegeven in de zin van artikel 2, sub a, van richtlijn 95/46.

Hof: privacyrechten bedoeld om verwerking van persoonsgegevens als zodanig onder controle te houden

Het Hof benadrukt verder dat de rechten die het privacyrecht toekent aan de betrokkene, zijn bedoeld om hem in staat te stellen de verwerking van persoonsgegevens (enigszins) onder controle te houden. Dit gaat dan om de persoonsgegevens als zodanig, niet om de achterliggende analyses.

44. Wat deze in richtlijn 95/46 bedoelde rechten van de betrokkene betreft, moet worden vastgesteld dat de bescherming van het fundamentele recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer met name impliceert dat de betrokkene zich ervan kan vergewissen dat zijn persoonsgegevens juist zijn en rechtmatig worden verwerkt. Zoals blijkt uit punt 41 van de considerans van deze richtlijn, moet de betrokkene, teneinde de nodige controles te kunnen verrichten, krachtens artikel 12, sub a, daarvan over het recht beschikken om toegang te verkrijgen tot de hem betreffende gegevens die het voorwerp van een verwerking vormen. Dit recht op toegang is met name noodzakelijk opdat de betrokkene eventueel van de voor de verwerking verantwoordelijke gedaan kan krijgen dat deze zijn gegevens rectificeert, uitwist of afschermt, en bijgevolg het in artikel 12, sub b, van die richtlijn bedoelde recht kan uitoefenen (zie in die zin arrest Rijkeboer, C‑553/07, EU:C:2009:293, punten 49 en 51).

45. Anders dan de gegevens betreffende de aanvrager van de verblijfstitel die in de minuut staan en de feitelijke basis kunnen vormen voor de juridische analyse daarin, kan een dergelijke analyse, zoals de Nederlandse en de Franse regering hebben opgemerkt, zelf niet door die aanvrager worden gecontroleerd op de juistheid ervan en worden gerectificeerd uit hoofde van artikel 12, sub b, van richtlijn 95/46.

46. In die omstandigheden zou met de uitbreiding van het recht op inzage van de aanvrager van een verblijfstitel tot die juridische analyse in werkelijkheid niet het doel van deze richtlijn worden gediend, dat erin bestaat de bescherming van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van die aanvrager te waarborgen met betrekking tot de verwerking van hem betreffende gegevens, maar het doel dat erin bestaat hem een recht van toegang tot bestuurlijke documenten te verzekeren, waarop richtlijn 95/46 echter niet ziet.

Anders gezegd: de rechten die het privacyrecht toekent (zoals het correctierecht) geven recht op (om bij het voorbeeld te blijven) correctie van onjuiste persoonsgegevens, maar niet op correctie van onjuiste conclusies die op basis van die persoonsgegevens worden getrokken (hoewel die conclusie onder omstandigheden ook wel eens een persoonsgegevens kan zijn, hetgeen nieuwe vragen op zal roepen, maar dat terzijde….).

Hof: inzagerecht dus beperkt tot de persoonsgegevens zelf, niet de documenten

Gelet op het voorgaande is het niet meer zo verrassend dat het Hof vervolgens concludeert dat het inzagerecht geen recht geeft op inzage in of afschrift van documenten. Het inzagerecht is beperkt tot de persoonsgegevens als zodanig:

58. Voor zover aan de met dat recht op inzage nagestreefde doelstelling volledig kan worden voldaan met een andere vorm van verstrekking, kan de betrokkene dus noch aan artikel 12, sub a, van richtlijn 95/46 noch aan artikel 8, lid 2, van het Handvest het recht ontlenen om een afschrift te verkrijgen van het originele document of bestand waarin die gegevens staan. Teneinde de betrokkene geen toegang te geven tot andere informatie dan de hem betreffende persoonsgegevens, kan hij een afschrift krijgen van het originele document of bestand waarin die andere informatie onleesbaar is gemaakt.

59. (…) Bijgevolg heeft het recht op inzage waarop deze aanvrager zich krachtens artikel 12, sub a, van richtlijn 95/46 en artikel 8, lid 2, van het Handvest kan beroepen, uitsluitend betrekking op die gegevens. Opdat aan dit recht op inzage wordt voldaan, volstaat het dat aan de aanvrager van de verblijfstitel een volledig overzicht, in begrijpelijke vorm, van al deze gegevens wordt gegeven, dat wil zeggen in een vorm die deze aanvrager in staat stelt kennis te nemen van die gegevens en te controleren of zij juist zijn en zijn verwerkt in overeenstemming met deze richtlijn, opdat hij eventueel de hem bij de artikelen 12, sub b en c, 14, 22 en 23 van die richtlijn verleende rechten kan uitoefenen.

De Raad van State heeft dus gelijk gekregen in zijn bestendige lijn: het geven van een overzicht van de verwerkte gegevens volstaat.

De lijn van de Hoge Raad, waarbij juist wel afschrift van volledige documenten werd toegekend, lijkt hiermee toch tot het verleden te gaan behoren (er is immers geen grondslag hiervoor in de Wbp). Wellicht wordt een beroep op artikel 843a Rv nu weer populairder….

Ten slotte

Of het in de praktijk er nu eenvoudiger door wordt valt nog te bezien. Er zijn immers in de praktijk legio documenten en notities waar de grens tussen persoonsgegevens en andersoortige gegevens niet altijd even scherp te trekken is. De vraag komt dan op: welke passages in het document worden zwart gemaakt en welke niet (alvorens het document af te geven)? Of welke passages worden overgetypt in reactie op het inzageverzoek en welke niet?

Overigens ziet ook de Middelburgse rechter en de Raad van State zich nu voor deze vraag gesteld, want welke onderdelen van de juridische analyse (“minuut”) zijn nu wel en welke zijn niet te beschouwen als persoonsgegevens? Het arrest van het Hof van Justitie geeft hiervoor niet zo veel kaders. Ik ben erg benieuwd hoe de Nederlandse rechters daarop zullen antwoorden en zie dan ook uit naar de uitspraken die volgen uit dit arrest van het Hof van Justitie.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen