Home > Privacyrecht > Ook reaguurders hebben recht om vergeten te worden
Ook reaguurders hebben recht om vergeten te worden

Ook reaguurders hebben recht om vergeten te worden

Op de website reputationvip.com is een interessant blogbericht (via Webwereld) te vinden met statistische gegevens over hoe Google omspringt met het “recht om vergeten te worden”. Interessant is dat Google kennelijk verwijderverzoeken weigert wanneer het gaat om content die door de verzoeker zelf online is geplaatst. De vraag is of dit juist is.

Het “recht om vergeten te worden”

In het beroemde arrest Google Spain heeft het Hof van Justitie (samengevat) geoordeeld dat het Europese privacyrecht ook van toepassing is op Google bij de activiteiten die verband houden met het exploiteren van de zoekmachine.

Aangezien het privacyrecht o.m. vereist dat persoonsgegevens die worden verwerkt “toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig” zijn, kan een ieder die vindt dat persoonsgegevens van hem worden die niet (langer) “toereikend, ter zake dienend en/of bovenmatig” zijn, aan de verantwoordelijke verzoeken die gegevens niet langer te verwerken (via hetzij het inzage- en correcctie recht, hetzij het verzetrecht). De verantwoordelijk zal vervolgens op dat verzoek moeten beslissen.

Dat is voor Google niet anders dan voor andere partijen die persoonsgegevens verwerken. Bij Google wordt dit verschijnsel in de media echter veelal uitgelegd als “het recht om vergeten te worden”. Zuiverder zou zijn te spreken over “het recht op een herafweging”, want je kunt niet rechtstreeks verwijdering afdwingen.

Statistieken Forget.me

Het bedrijf Reputation VIP exploiteert de website forget.me. Via deze website kunnen verwijderverzoeken worden ingediend. Het bedrijf heeft op de blog de hier rechts weergegeven afbeelding met statistieken over de uitkomsten van die verzoeken gepubliceerd (klik voor groot).

Weigeringsgronden lijken niet altijd op te gaan

Uit die statistieken volgen enkele interessante getallen:

  • bij 22% van de afwijzingen wordt als argument aangevoerd dat de informatie door de betrokkene zelf online is gezet;
  • bij 13% van de afwijzingen wordt als argument aangevoerd dat het gaat om het eigen profiel op sociale media;

Dit lijken me geen juiste afwijzingsgronden.

Het Hof heeft immers uitdrukkelijk overwogen dat het privacybelang van een betrokkene zwaar weegt en in beginsel voorgaat op het belang van het algemene internetpubliek (r/o 81). Een verwijderverzoek impliceert ook helemaal niet dat de gegevens ook van de bronwebsite afmoeten (r/o 82). Sterker nog, de publicatie op de bronwebsite kan volstrekt rechtmatig zijn, terwijl de opname in de zoekindex dat niet (meer) is (r/o 86).

Dat iemand ooit zelf iets online heeft gezet, rechtvaardigt dus nog niet om daar eeuwig in een zoekmachine mee geconfronteerd te worden. Google zal moeten hardmaken waar haar belang en rechtvaardiging in is gelegen om de persoonsgegevens te blijven verwerken, ondanks het uitdrukkelijke verzoek van de betrokkene om de gegevens te verwijderen.

Het is afwachten totdat een reaguurder de kwestie doorzet en de beslissing van Google op het verwijderveroek aan de rechter voorlegt.

 

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen