Home > Privacyrecht > Particuliere drone-piloot ook aan de privacywet gebonden?
Particuliere drone-piloot ook aan de privacywet gebonden?

Particuliere drone-piloot ook aan de privacywet gebonden?

In het recente rapport van de WODC over drones staan enkele interessante passages over de toepasselijkheid van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). De vraag is of de privacywet niet nog wat strenger moet worden geinterpreteerd dan al in dit rapport staat vermeld.

Verkennend onderzoek

Het WODC-rapport over drones betreft een verkennend onderzoek. In het rapport wordt onder meer op een rij gezet met welke wetgeving rekening dient te worden gehouden bij gebruik van drones. Mijn collega Joost Becker is in zijn blogbericht al ingegaan op de mediarechtelijke, auteursrechtelijke en portretrechtelijke aspecten die in het rapport worden behandeld.

Privacywet van toepassing als beelden tot personen zijn te herleiden

In paragraaf 5.6 wordt specifiek ingegaan op de toepasselijkheid van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Het rapport wijst er op dat zodra sprake is van het verwerken van persoonsgegevens, de Wbp van toepassing is. Het rapport neemt aan dat bij gebruik van camera’s op drones daar niet altijd sprake van zal zijn, omdat beelden niet altijd eenvoudig zijn te herleiden tot een individu:

Bij het gebruik van drones is identificatie van de betrokken individuen met gemaakte camerabeelden niet vanzelfsprekend. Opnames van mensen van bovenaf worden namelijk niet per definitie als persoonsgegevens aangemerkt. In 2004 gaf het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) nog aan dat luchtfoto’s die niet uitvergroot kunnen worden totdat personen duidelijk zichtbaar zijn worden, niet als persoonsgegevens worden aangemerkt. Hetzelfde geldt voor beelden van verkeersstromen of mensenmassa’s (Smeets, 2004, p. 34 en 51). Echter, onder bepaalde omstandigheden zijn videoopnames van drones wel herleidbaar tot personen, indien bijvoorbeeld van een gezicht van een persoon opnames worden gemaakt. Kentekengegevens zullen in de regel ook aangemerkt worden als persoonsgegevens, omdat deze direct of indirect herleidbaar zullen zijn tot een individu.

Denken de toezichthouders daar niet nog ruimer over?

Het is de vraag of de privacytoezichthouders in voorkomend geval niet sneller zullen aannemen dat de privacywet van toepasing is. Ik wijs dan onder meer op de opinie van de artikel 29 werkgroep uit 2007, waarin het begrip persoonsgegevens op (zeer) ruime wijze wordt uitgelegd. Zo worden ook gegevens die naar verwachting gevolgen kunnen hebben voor een natuurlijk persoon (“resultaatinformatie”) of gebruikt (zullen) worden gebruikt om iemand te beoordelen (“doelinformatie”), door de toezichthouders opgevat als persoonsgegevens. Me dunkt dat met een drone gemaakte camerabeelden al snel onder die omschrijvingen kunnen vallen. De vraag is overigens wel of die hele ruime visie niet al deels ingehaald door ontwikkelingen in Europese rechtspraak.

Wachten op opinie van toezichthouders

Volgens het WODC zou een opinie van de artikel 29 werkgroep over de verhouding van drones tot de privacywet in aantocht zijn. Zolang de toezichthouders zich niet zelf duidelijk hebben uitgesproken over de verhouding van de privacywetgeving tot drones, dienen drone-eigenaren echter serieus rekening te houden met de toepasselijkeid van de privacywet. Voor een beeld wat dat onder meer voor gevolgen heeft, verwijs ik graag naar onze “privacycheck” (kies dan bij stap 1 voor ‘ja’).

Recreatief drone-gebruik volgens kamervragen niet onder privacywet

Verder valt de volgende passage in het onderzoek op over huishoudelijk gebruik:

De Wet bescherming persoonsgegevens is niet van toepassing indien persoonsgegevens slechts voor ‘huishoudelijke doeleinden’ worden verwerkt. Deze uitzondering is bijvoorbeeld van toepassing bij het vliegen met een drone voor recreatieve doeleinden, waarbij persoonsgegevens worden verwerkt door gebruik van foto- of videoapparatuur.

Bij deze passage wordt overigens verwezen naar antwoorden op kamervragen uit 2013.

Hof van Justitie lijkt veel strenger over uitzondering privégebruik

Het is de vraag of deze redenering nog wel helemaal in lijn is met recente jurisprudentie. Op 11 december 2014 heeft het Hof van Justitie – de hoogste Europese rechter als het gaat over de uitleg van de Wet bescherming persoonsgegevens – namelijk een arrest gewezen over de toepasselijkheid van de privacywet bij gebruik van bewakingscamera’s. In dat arrest oordeelt het Hof als volgt over de uitzondering voor huishoudelijk gebruik:

33      Voor zover het gebruik van een videobewakingssysteem, zoals dat in het hoofdgeding, de openbare ruimte bestrijkt – zelfs gedeeltelijk – en hierdoor buiten de privésfeer geraakt van degene die door middel van dit systeem gegevens verwerkt, kan het niet worden beschouwd als een activiteit die met uitsluitend „persoonlijke of huishoudelijke doeleinden” wordt verricht in de zin van artikel 3, lid 2, tweede streepje, van richtlijn 95/46.

Voor de privacywet maakt het m.i. geen verschil of een camera nu aan een huis is gemonteerd, of op een drone. Sterker nog, de privacyimpact is in het laatste geval alleen maar groter. Het gebruik van een camera op een drone zal dan ook eerder, om de woorden van het Hof te gebruiken, “de openbare ruimte bestrijken”, dan een camera gemonteerd aan een woning. Het lijkt dus voor de hand te liggen dat het Hof van Justitie ten aanzien van drone gebruik ook zal oordelen dat hiervoor de uitzondering voor “huishoudelijk gebruik” niet van toepassing is (en dus de privacywet moet worden nageleefd).

Conclusie: waarschijnlijk (bijna) altijd rekening houden met privacywet bij camera’s op drones

Het lijkt er al met dus sterk op dat iedere filmende/fotograverende dronepiloot gebonden is aan de privacywetgeving, ongeacht of het besturen van die drone nu hobbymatig of professioneel plaatsvindt. De enige vraag is of de beelden die worden gemaakt zijn aan te merken als “persoonsgegevens”. Gelet op de beperkte hoogte waarop drones vliegen en de toenemende kwaliteit van de foto’s/video’s die met drones gemaakt kunnen worden, alsmede het gegeven dat foto’s en films vaak een timestamp kennen en dus (juist ook achteraf) heel goed bruikbaar zijn om (al is het met wat nadere analyse) iets over de personen die in beeld zijn uit te vinden, verwacht ik dat de toezichthouders in de regel zullen aannemen dat dit het geval is. De enige nuance die dan nog geldt is dat bij journalistiek gebruik, op grond van artikel 3 Wbp niet de gehele wet van toepassing is.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen