Home > Auteursrecht > Boijmans mag films van kunstenaar blijven vertonen ondanks einde bewaargeving
Boijmans mag films van kunstenaar blijven vertonen ondanks einde bewaargeving

Boijmans mag films van kunstenaar blijven vertonen ondanks einde bewaargeving

De performance kunstenaar Bas Jan Ader (1942) is met name bekend om zijn korte films. daarin tart hij letterlijk en figuurlijk de zwaartekracht. Zijn drang om de grenzen van het bestaan op te zoeken leidde in 1975 tot zijn vermissing toen hij in een klein bootje de Atlantische Oceaan trachtte over te steken. Zin weduwe beheerde daarna de rechten op zijn foto- en filmwerken.Museum Boijmans van Beuningen had in 1992 meerdere fotowerken van de weduwe van Bas Jan Ader gekocht. Daarnaast is het vertoningsrecht verleend van alle door de kunstenaar gemaakte (16 mm) films onder de voorwaarde dat het museum deze films zou bewaren en conserveren.

Het museum heeft kopieën van de films gemaakt en deze ook vertoond. In de loop van de tijd is het werk van Bas Jan Ader in populariteit toegenomen, mede door vertoning van zijn films en zijn fotowerken.

In 2014 beëindigt zijn weduwe de ‘bruikleenovereenkomst’ met het museum betreffende de films. Ze vraagt de originele films terug te geven. Museum Boijmans van Beuningen weigert teruggave.

De weduwe vordert vervolgens bij de rechter afgifte van de originele 16 mm films en de kopieën daarvan en een verbod om die films verder openbaar te maken. Het museum verweert zich hiertegen. In een tegenvordering eist het museum voor het geval de opzegging van de bruikleen geldig mocht zijn dat de weduwe een vergoeding betaalt voor het bewaren van de films en het museum de gemaakte kopieën als enige mag blijven vertonen. Ook vordert het museum een verbod op vernietiging van de originele films.

De rechter oordeelt dat er een overeenkomst tussen de weduwe en het museum is gesloten, inhoudende dat het museum de films van Ader mocht vertonen en het museum daartegenover als tegenprestatie de films zou conserveren en beheren. Het betreft een overeenkomst van bewaarneming. De films zijn aldus eigendom gebleven van de weduwe van Ader. Zij heeft de films slechts ter conservering en bewaring beschikbaar gesteld aan het museum. Als tegenprestatie daarvoor heeft het museum van de weduwe het recht gekregen de films te vertonen.

De weduwe, als bewaargever, heeft het recht op ieder door haar gewenst moment de bewaarnemingsovereenkomst op te zeggen. Het museum mag de afgifte van de films niet weigeren. De kernvraag is dan of het museum ook alle gemaakte kopieën van de films moet afstaan en de films niet langer mag vertonen. Partijen hebben daarover niets concreets afgesproken. Voor het antwoord op deze vraag moet de rechter dus de gemaakte afspraken uitleggen op basis van de context en de redelijkheid en billijkheid. Daartoe overweegt de rechter dat het museum niet alleen heeft geïnvesteerd in de conservering en bewaring van de films maar ook in de vertoning en zodoende heeft bijgedragen aan de promotie van het werk van de kunstenaar bij het publiek. Dat leidt tot het oordeel van de rechter dat het museum geen rekening hoefde te houden met een op ieder moment opzegbaar vertoningsrecht van de films. Het museum mocht er van uit gaan dat zij een onopzegbaar vertoningsrecht had gekregen. Indien de weduwe in 1992 een tijdelijk vertoningsrecht had beoogd had zij dit duidelijk(er) moeten aangeven.

De eis van het museum dat haar vertoningsrecht exclusief is en de weduwe het originele filmmateriaal niet mag vernietigen, gaat de rechter te ver. Als eigenaar van de originele filmwerken mag de weduwe beslissen wat zij er mee doet, dus zowel vertoningsrechten aan andere verstrekken of het materiaal zelfs vernietigen. Het museum mag volgens de rechter de kopieën van de filmwerken echter wel uitlenen aan andere kunstinstellingen.

Een vertoningsrecht zonder een kopie van de filmwerken is betekenisloos, dus komt het museum ook het recht toe een kopie van de filmwerken te houden, aldus de rechter.

De vordering van het museum tot vergoeding van gemaakte conserverings- en bewaringskosten wordt afgewezen. Het onopzegbare vertoningsrecht vormt de afgesproken tegenprestatie voor deze kosten.

Al met al is de uitkomst van deze procedure zeker niet ongunstig voor het museum. Boijmans moet zich hebben gerealiseerd dat zij geen eigenaar van de filmwerken was en haar recht (licentie) om de films te vertonen eventueel kon worden opgezegd. Tegenover die – mogelijk niet zo door haar gevoelde – onzekerheid omtrent het voort blijven duren van het vertoningsrecht van de films heeft het museum nu een in rechte vastgelegd onopzegbaar (eeuwigdurend) vertoningsrecht gekregen. Daar staan wel de in het verleden gemaakte investeringen tegenover maar die zullen dat waarschijnlijk meer dan waard zijn geweest. De enige onzekerheid is nog dat de weduwe in hoger beroep kan gaan tegen het vonnis en dat er dan anders wordt geoordeeld.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen