U bent hier: Home > Auteursrecht > De bescherming van industriële componenten
De bescherming van industriële componenten

De bescherming van industriële componenten

Kan er een intellectueel eigendomsrecht geclaimd worden op kabelblokken, klemmen, stekkerdozen en vergelijkbare componenten? Beantwoording van die vraag is met name voor de bescherming van industriële vormgeving van belang. Elk uiterlijk van een voortbrengsel kan in beginsel gemonopoliseerd worden, bijvoorbeeld door een model- of auteursrecht. De techniek die erachter schuilt kan daarnaast geoctrooieerd worden. Ten aanzien van Raamuitzetters heeft de Hoge Raad in 1991 al uitgemaakt dat zelfs indien er bijvoorbeeld geen model- of octrooibescherming (meer) is van dit soort industriële producten, de nabootsing daarvan bovendien onrechtmatig kan zijn.

Maar is er ook bescherming voor technisch bepaalde (onderdelen van) industriële componenten als er alternatieven zijn? Die vraag komt in een zeer recent arrest van het Hof Den Haag aan de orde in de zaak KOZ/Adinco. Het hof zet uiteen wat de criteria zijn om te bepalen wanneer een element van een model uitsluitend door een technische functie is bepaald.

Modelrechtelijke bescherming?

Het hof stelt voorop dat modelbescherming niet geldt voor de uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel die uitsluitend door een technische functie worden bepaald (artikel 8 lid 1 van Verordening (EG) 6/2002 betreffende Gemeenschapsmodellen, hierna: GModVo). Zulke elementen kunnen niet bijdragen aan het eigen karakter van een Gemeenschapsmodel, aldus het Hof. “Van een technische functie kan gesproken worden als de vormgeving het betreffende voortbrengsel beter geschikt doet zijn voor zijn gebruiksfunctie.”

Wat is nu rechtens indien bepaalde kenmerken van een product – zoals elementen van industriële componenten – in hoofdzaak technisch zijn, maar dat technische effect ook door een alternatieve vormgeving kan worden verkregen? 

Als wordt aangevoerd dat er alternatieven zijn, geldt naar het oordeel van het hof onder het modellenrecht het volgende:

Het hof is van oordeel dat een element van een model dat door een technische functie is bepaald in beginsel uitsluitend door een technische functie is bepaald,

I. als er slechts één of een aantal alternatieve technische oplossingen is waarmee hetzelfde technische effect kan worden bereikt of

II. als er slechts één of een beperkt aantal reële alternatieven is in de vormgeving van dezelfde technische oplossing; zo’n alternatief is niet reëel als het slechts zou inhouden:

a. een toevoeging van een (technisch gezien) zinloos element (zoals een versiering of een verdikking) aan het technisch bepaalde element;

b. een afwijking in de vormgeving van het technisch bepaalde element die zo futiel is dat zij ten opzichte van het model geen eigen karakter geeft (waardoor dit alternatief dus onder de beschermingsomvang van het model valt).

Een ander oordeel zou er toe leiden dat er (vrijwel) nooit sprake zou zijn van een uitsluitend door een technische functie bepaald element daar zinloze en futiele toevoegingen (vrijwel) altijd mogelijk zijn.

In dit verband merkt het hof op dat het modelrecht niet gebruikt mag worden om een bepaald technisch effect te laten monopoliseren door één of een beperkt aantal marktdeelnemers en daarmee anderen te beletten van technische verworvenheden gebruik te maken.

Het Hof werkt het kader nader uit ten aanzien van, in dit geval, kabelblokken. Daarbij merkt zij de overkapping van een kabelblok aan als uitsluitend door een technisch effect (snijden van het blok in de kabel). Ook de overkapping(en) zijn nodig om ondersteuning te bieden om de druk op de overkapping zo goed mogelijk te weerstaan. een aantal genoemde alternatieven worden als niet reëel omschreven. Voor het overige bestond er al een ouder model van een Duitse aanbieder van kabelblokken.

Auteursrechtelijke bescherming?

Volgens het hof vindt het auteursrecht begrenzing elementen van een werk die louter een technisch effect dienen of te zeer het resultaat zijn van een door technische uitgangspunten beperkte keuze. Deze zijn van bescherming uitgesloten. De elementen van de kabelblokken dienen volgens het Hof louter een technische effect of zijn te zeer het resultaat van een door technische uitgangspunten beperkte keuze.

Onrechtmatige nabootsing?

Het (slaafs) nabootsen van een product van een ander wordt onrechtmatig indien men zonder afbreuk te doen aan de deugdelijkheid en bruikbaarheid van een product op bepaalde punten evengoed een andere weg had kunnen inslaan maar door dit na te laten verwarring te stichten. Het Hof oordeelt dat dit ten aanzien van de kabelblokken in kwestie niet het geval is:

In aanmerking nemende dat van de “nabootser” niet verlangd wordt dat hij aan de deugdelijkheid en de bruikbaarheid afbreuk doet teneinde verwarring te voorkomen, staat het hem naar het oordeel van het hof vrij een in het nagebootste product gekozen technische oplossing toe te passen, ook al zou(den) er (een) alternatieve technische oplossing(en) zijn om hetzelfde technisch effect te bereiken (vergelijk rechtsoverweging 12, onder I). Een verdergaande bescherming tegen nabootsing zou er immers toe kunnen leiden dat er de facto sprake zou zijn van bescherming van een uitvinding, ook wanneer die uitvinding niet (meer) beschermd is door een octrooi of dat de bescherming op grond van slaafse nabootsing door een beperktere uitleg van de “techniekrestrictie”, verder zou gaan dan modelbescherming, hetgeen onwenselijk zou zijn en niet de bedoeling kan zijn (vergelijk ook HR 31 mei 1991, ECLI:NL:HR; ZC0259 “raamuitzetter”, rechtsoverwegingen 3.7 en 3.8). Het bovenstaande doet er niet aan af dat van de nabootser wel geëist mag worden dat hij voor een andere vormgeving van het element waarin de technische oplossing is belichaamd en/of van andere elementen van het product kiest om verwarring te voorkomen indien en voor zover dat mogelijk is zonder aan de deugdelijkheid en de bruikbaarheid afbreuk te doen. Deze verplichting gaat echter in beginsel niet zover dat hij gehouden is een, extra kosten meebrengend, zinloos element toe te voegen, of een afwijking aan te brengen die te futiel is om verwarring te voorkomen (vergelijk rechtsoverweging 12, onder II); dan zou er immers geen sprake zijn van een andere weg die hij “even goed” had kunnen inslaan teneinde verwarring te voorkomen.

Gelet op het bovenstaande kan KOZ anderen niet beletten gebruik maken van de door KOZ gekozen technische oplossing om door middel van overkappingen de druk op de kabels te verdelen en het snijden in de kabels door het blok tegen te gaan, aldus het hof, ook al is een andere technische oplossing om hetzelfde technisch effect te bereiken beschikbaar (door het kabelblok aan de onderzijde bij de kabeldoorgang (deels) dicht te maken.) De (overige) door KOZ genoemde vormgevingsalternatieven doen volgens het hof ofwel afbreuk aan de deugdelijkheid of de bruikbaarheid, ofwel gaat het om zinloze toevoegingen die extra kosten meebrengen dan wel om afwijkingen die te futiel zijn om verwarring te voorkomen.

Dit leidt tot het oordeel dat het enkel nabootsen niet tot bescherming op grond van slaafse nabootsing leidt.

Bescherming van industriële componenten

De hoofregel (het Hof spreekt vóór regel I van “in beginsel”) blijft dat indien er slechts één of een aantal alternatieve technische oplossingen is waarmee hetzelfde technische effect kan worden bereikt, deze ook uitgesloten zijn van modelrechtelijke bescherming. Anders gezegd: als hetzelfde technische effect van een element van industriële vormgeving dus ook net zo goed op een andere manier kan worden bereikt, voor zover zo’n alternatief ook als een andere technische oplossing moet worden aangemerkt waarmee hetzelfde technische effect kan worden bereikt, is dat element niettemin uitgesloten van modelrechtelijke bescherming. In dat geval kan een octrooirecht mogelijk uitkomst bieden.

Als er geen reële alternatieven zijn, is verwijzing naar alternatieve vormgevingen van dezelfde technische oplossingen ook niet zinvol, zo lees ik het arrest. Toepassing van regel II van het hof brengt dan mee dat de vorm waarvoor bescherming wordt gevraagd alsnog door de techniek restrictie wordt geraakt.

Rest de vraag of (onderdelen van) industriële vormgeving niet geraakt wordt door de techniek-restrictie indien zij een versiering zijn (regel II.a). Ik kan mij voorstellen dat het toevoegen van elementen die een verfraaiing zijn of franje aan het product geven toch modelrechtelijk beschermd kunnen zijn. Indien daarmee wordt afgeweken van het uiterlijk van bestaande (onderdelen van) componenten, brengt regel II.b. mogelijk mee dat deze min of meer opvallend moeten zijn.

Joost Becker, advocaat intellectuele eigendom

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen