U bent hier: Home > Digitalisering > Smaad op social media? Afgifte gegevens mogelijk!
Smaad op social media? Afgifte gegevens mogelijk!

Smaad op social media? Afgifte gegevens mogelijk!

De rechtbank Den Haag heeft op 11 mei 2016 geoordeeld dat, onder omstandigheden, op een sociaal netwerk als Facebook de rechtsplicht kan rusten om (onder meer) naam- en adresgegevens te verstrekken van gebruikers, indien zij schadelijke en onrechtmatige informatie posten.

Vaak verschuilen gebruikers op social media zich achter aliassen of gebruikersnamen die niet herleidbaar zijn tot hun echte naam, om hun meningen over derden online te ventileren. De vraag is wanneer het social media platform de NAW-gegevens van deze gebruikers moet afgeven.

De rechtbank oordeelt:

‘4.1 (…) Dit kan met name het geval zijn als (i) voldoende aannemelijk is dat de op het sociaal netwerk gepubliceerde informatie, op zichzelf beschouwd, jegens de derde onrechtmatig en schadelijk is, (ii) de derde een reëel belang heeft bij de verkrijging van de gegevens, (iii) aannemelijk is dat er in het concrete geval geen minder ingrijpende mogelijkheid bestaat om de gegevens te achterhalen en (iv) afweging van de betrokken belangen van de derde, (in deze zaak:) Facebook en de beheerders van Facebookpagina’s, meebrengt dat het belang van de derde behoort te prevaleren.’

De rechter toetst aan de criteria uit het Hoge Raad-arrest Lycos/Pessers.

In dit geval was de eiser de (voormalig) eigenaar van een online parfumwebwinkel, die wilde weten wie de beheerders waren van een aantal Facebookgroepen waarin werd gesproken van oplichting door de webwinkel. Soms werden daarbij ook diverse persoonsgegevens vermeld, waaronder de adresgegevens, het mobiele telefoonnummer en de kentekenplaat letters van eiser.

De rechter acht het voldoende aannemelijk dat het plaatsen van deze specifieke informatie (zeker in combinatie met de oproep op bij hem langs te gaan) jegens eiser als onrechtmatig en schadelijk moet worden beschouwd. Hij heeft dus een reëel belang om de gevraagde gegevens te verkrijgen. De eiser heeft op diverse andere wijzen gepoogd om de gegevens te verkrijgen, maar die zijn vruchteloos geweest. De rechter acht dan ook aannemelijk dat er geen minder ingrijpende mogelijkheid bestaat om deze gegevens te achterhalen.

De rechtbank oordeelt:

‘[Eiser] heeft zonder over deze gegevens te beschikken geen mogelijkheid om de verantwoordelijke personen te dwingen te stoppen met hun acties jegens hem en hen aan te spreken tot vergoeding van de schade die hij stelt te hebben geleden. Daar tegenover staat het beperkte belang van Facebook om, als neutrale tussenpersoon, haar platform te kunnen aanbieden waarop in vrijheid de informatie van derden verspreid kan worden en het belang van beheerders om anoniem hun mening te uiten.’

De rechter concludeert vervolgens “dat het belang van [Eiser] bij het verstrekken van de gegevens zwaarder weegt dan het belang van Facebook en de beheerder bij het niet-verstrekken daarvan. Een en ander leidt tot de conclusie dat aan de voorwaarden als genoemd onder 4.1 is voldaan.”

Facebook stelt zich volgens de rechter wel terecht op het standpunt dat zij slechts in staat is informatie te overhandigen waarover zij beschikt. Er wordt niettemin een dwangsom gelegd op de verplichting tot afgifte van de betreffende gegevens. Facebook wordt veroordeeld om naam en adres, IP-adres, datum en tijdstip van registratie en logins van alle gebruikers die beheerder zijn geweest van de betreffende Facebookgroep te verstrekken.

De vordering tot verwijdering van persoonsgegevens uit de Facebookgroepen wordt afgewezen. De voorzieningenrechter oordeelt hierover:

“[Eiser] heeft op zichzelf niet betwist dat zich (leverings)problemen bij [parfumwebwinkel] hebben voorgedaan. Hij stelt zich slechts op het standpunt dat hij daar niet verantwoordelijk voor is omdat hij [parfumwebwinkel] in 2008 heeft verkocht aan zijn vader. Dat kan evenwel niet zonder meer worden aangenomen, nu aanwijzingen bestaan dat [eiser] na 2008 nog betrokken is geweest bij de bedrijfsvoering van [parfumwebwinkel]. Facebook heeft producties overgelegd waaruit volgt dat [eiser] zich na 2008 nog heeft gepresenteerd als eigenaar van [parfumwebwinkel], onder meer op zijn eigen LinkedIn-profiel. In deze procedure kan dan ook niet worden vastgesteld dat de beschuldigingen in het geheel geen basis hebben. Of de uitingen op Facebookgroep3 niettemin onrechtmatig zijn jegens [eiser], kan slechts in een procedure tussen [eiser] en de beheerders van Facebookgroep 3 worden vastgesteld.”

Deze uitspraak laat zien dat het onder omstandigheden eenvoudig is om afgifte van NAW-gegevens van gebruikers op social media te vorderen, mits aan de geldende criteria is voldaan.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen