Home > Privacyrecht > Handhavingsverzoeken onder de privacyverordening: een puzzel voor de betrokkene en de toezichthouder
Handhavingsverzoeken onder de privacyverordening: een puzzel voor de betrokkene en de toezichthouder

Handhavingsverzoeken onder de privacyverordening: een puzzel voor de betrokkene en de toezichthouder

De privacyverordening brengt onder meer een versterking van de positie van de betrokkene (consument) met zich mee. Zo kan de betrokkene altijd een klacht indienen bij zijn lokale toezichthouder (artikel 77 lid 1) De lokale toezichthouder zal de klacht zo nodig doorzenden aan de juiste buitenlandse toezichthouder (artikel 56 lid 3). Wanneer de toezichthouder niet binnen drie maanden reageert op de klacht, kan de betrokkene naar de rechter. De vraag is of die regeling het bestaande regime niet doorkruist.

Huidige systematiek

In de huidige systematiek kan iedere belanghebbende bij de Autoriteit Persoonsgegevens een verzoek indienen tot handhaving van de Wbp. De termijn om een beslissing te geven is in principe 8 weken (artikel 4:13 Awb).

Een afwijzing van een dergelijk verzoek wordt beschouwd als beschikking (artikel 1:3 Awb). Ook het niet tijdig nemen van een besluit wordt als besluit beschouwd (artikel 6:2 Awb). Tegen een besluit kan beroep worden ingesteld (artikel 8:1 Awb).

Voordat beroep kan worden ingesteld, moet eerst bezwaar worden gemaakt (artikel 7:1 Awb). Tegen het uitblijven van een besluit kan wel rechtstreeks beroep worden ingesteld (artikel 7:1 lid 1 sub f Awb), dus de bezwaarfase kan dan worden overgeslagen.

De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken (artikel 6:7 Awb). Op een bezwaarschrift moet binnen zes weken na de bezwaartermijn worden beslist, of 12 weken als er een commissie is ingesteld. Die termijn kan met 6 weken worden verlengd (artikel 7:10 Awb).

Huidige termijnen bij handhavingsverzoek

Uit het voorgaande volgt dat de huidige termijnen bij een handhavingsverzoek dus zijn: 

  Termijn  Bezwaarprocedure Procedure bij weigering beslissing te nemen
aanvraag indienen  X X
beslissing op aanvraag (of uitblijven daarvan) 8 weken X + 8 weken X + 8 weken
bezwaar tegen niet naar wens nemen 6 weken X + 14 weken  
beslissing op bezwaar 6 / 12 weken + evt. 6 weken uitstel X + 20 weken of
X + 26 weken (bij commissie)
evt. met 6 weken verlengd
 
beroep bij de rechter 6 weken X + 26 weken; of
X + 32 weken
evt. met 6 weken verlengd
X + 8 weken (direct na uitblijven beslissing, artikel 7:1 lid 1 sub f Awb)

Oftewel: na een handhavingsverzoek kun je bij het uitblijven van een beslissing al na 8 weken naar de rechter toe (via artikel 7:1 lid 1 sub f Awb). Wordt er wel een beslissing genomen, maar is de klager het er inhoudelijk niet mee eens (lees: het verzoek wordt afgewezen), dan kan de klager na 26 weken naar de rechter toe.  

Toekomstige procedure en termijnen

De verordening vermeldt geen termijn voor het nemen van een beslissing op een klacht. Artikel 57 lid 1 sub f spreekt alleen over een “redelijke termijn” voor een toezichthouder om op een klacht te reageren.

Ook voor de gang naar de rechter geldt een andere systematiek. Artikel 78 lid 2 luidt als volgt:

2.   Onverminderd andere mogelijkheden van administratief of buitengerechtelijk beroep heeft iedere betrokkene het recht om een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen indien de overeenkomstig de artikelen 55 en 56 bevoegde toezichthoudende autoriteit een klacht niet behandelt of de betrokkene niet binnen drie maanden in kennis stelt van de voortgang of het resultaat van de uit hoofde van artikel 77 ingediende klacht.

Het hiervoor geciteerde artikel maakt duidelijk dat betrokkene in beroep kan:

  • wanneer een klacht niet behandeld wordt (bij gebreke van een behandelingstermijn kan betrokkene dit m.i. alleen weten bij een afwijzend besluit); of
  • wanneer de betrokkene drie maanden langs niets hoort over zijn klacht.

Artikel 78 lid 3 bepaalt vervolgens dat het beroep direct bij de rechter wordt ingesteld:

3.   Een procedure tegen een toezichthoudende autoriteit wordt ingesteld bij de gerechten van de lidstaat waar de toezichthoudende autoriteit is gevestigd.

Onder de verordening is de fase van bezwaar dus helemaal niet nodig.

Verder valt op dat de mogelijkheid om naar de rechter te gaan onverminderd de mogelijkheden van administratief beroep is. Zolang de Nederlandse wetgever geen andere keuzes maakt, bestaan de beide procedures dus straks kennelijk naast elkaar.

Verder is de vraag wat de toetsingsmaatstaf is voor de rechter onder de verordening. Het is de vraag of de rechter de afwijzing van een handhavingsverzoek straks “vol” of slechts “marginaal” toetst (het laatste meer in lijn met het huidige bestuursprocesrecht). Dit zal met name afhangen van de uitleg van “doeltreffende voorziening”. Zie ook overweging 141:

(141) Iedere betrokkene dient het recht te hebben om (…) een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen overeenkomstig artikel 47 van het Handvest (…) indien de toezichthoudende autoriteit niet optreedt naar aanleiding van een klacht, een klacht gedeeltelijk of geheel verwerpt of afwijst, of indien deze niet optreedt wanneer zulk optreden noodzakelijk is ter bescherming van de rechten van de betrokkene.

Opvallende verschillen

Er ontstaan hierdoor potentieel opmerkelijke verschillen:

  • waar onder Nederlands bestuursrecht de klager een gang naar de rechter kan maken als het allemaal erg lang duurt, lijkt dit onder de verordening niet mogelijk, zolang de klager maar over de voortgang wordt geïnformeerd (hetgeen een geautomatiseerd briefje zou kunnen zijn). Indien het Nederlandse bestuursprocesrecht hierop zou worden aangepast, gaan burgers er onder de verordening dus op achteruit in rechtsbescherming;
  • als beide procedures echter naast elkaar blijven bestaan, kan de klager die drie maanden lang niets van de AP hoort al lang onder de Awb naar de rechter zijn gegaan, terwijl dit wellicht onder het procesrecht in andere Europese landen anders is. Dat lijkt me lastig te rijmen met de gedachte van uniform Europees privacyrecht;
  • de klager die wel wat van de AP hoort, maar zijn zin niet krijgt, zou echter – bij het blijven bestaan van beide procedures – straks gelijktijdig in de bezwaarfase aanbeland kunnen zijn en voor de rechter kunnen staan. Dat lijkt me vragen om tegenstrijdige beslissingen;
  • het is de vraag of de toetsingsmaatstaf voor de rechter onder de procedures verschillend is of niet en zo ja, in hoeverre dat verschil de rechtspositie van de betrokkene raakt.

Genoeg vragen dus voor de wetgever. Het is in die zin afwachten welke keuzes de wetgever gaat maken. We blijven het volgen en houden u op de hoogte.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen