Home > Auteursrecht > Geen plaats voor belangenafweging bij inbreuk persoonlijkheidsrechten
Geen plaats voor belangenafweging bij inbreuk persoonlijkheidsrechten

Geen plaats voor belangenafweging bij inbreuk persoonlijkheidsrechten

Makers van auteursrechtelijk beschermde werken kunnen zich verzetten tegen verminking of aantasting van hun werk. Dat geldt zelfs als het werk eigendom is van iemand anders. Zo kan een kunstenaar met zijn persoonlijkheidsrechten optreden tegen het plaatsen van ‘zijn’ beeld zonder sokkel. Deze week deed de Rechtbank Den Haag tussenvonnis over de nieuwe inrichting van het Naturalis-museum.

Inbreuk op persoonlijkheidsrechten

Vanwege de bezoekersaantallen breidt het museum uit. Onderdeel van die uitbreiding is een verbouwing van het bestaande pand. Onder meer de inrichting van het pand wordt grondig gewijzigd.

De oorspronkelijke architect deed wederom mee in de aanbesteding. De opdracht gaat echter naar een concurrerende architect. De architect – die de opdracht uiteraard liever zelf had gekregen – is het niet eens met het ontwerp van zijn concurrent. Voor de rechtbank verdedigt hij een aantal vorderingen. Een daarvan is dat de voorgenomen verbouwing het door hem ontworpen interieur zou verminken. Daardoor loopt hij – volgens de architect – reputatieschade op.

De architect meent dat het museum inbreuk maakt op zijn persoonlijkheidsrechten. De rechtbank ziet daar wel iets in, maar houdt de zaak aan omdat hij meer informatie van partijen wil hebben.

Geen ruimte voor belangenafweging

Interessant aan deze zaak is de uitgebreide uiteenzetting die de rechtbank maakt over de vraag wanneer sprake is van misvorming, verminking, of andere aantasting van het werk. Het museum stelde zich namelijk op standpunt dat zij een belangenafweging mocht maken, ondanks dat eventueel sprake is van inbreuk op de persoonlijkheidsrechten van de architect.

De motivering van het museum is onder andere dat de wijziging van de inrichting van het pand noodzakelijk is. De bestemming van het pand verandert immers van expositieruimte naar kantoorruimte. Verder stelt zij dat gebouwen met een publieke functie een beperkte levensduur hebben. De rechtbank gaat daar niet in mee.

De rechtbank overweegt namelijk dat de wet geen ruimte biedt voor een belangenafweging. Als eenmaal vast komt te staan dat – wel of geen – sprake is van inbreuk op de persoonlijkheidsrechten van de maker, dan heeft de eigenaar geen ruimte meer om die inbreuk alsnog naast zich neer te leggen.

Terecht wijst de rechter er ten slotte op, dat de maker van het werk de eigenaar niet onbeperkt kan tegenhouden. Onder omstandigheden maakt de maker misbruik van recht. Daar moet de wederpartij echter wel zelf een beroep op doen. Bovendien neemt de rechter misbruik van recht niet snel aan.

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen