Home > Portretrecht > Wanneer bestaat recht op afgifte van verborgen camera materiaal?
Wanneer bestaat recht op afgifte van verborgen camera materiaal?

Wanneer bestaat recht op afgifte van verborgen camera materiaal?

Wanneer heeft een partij die heimelijk gefilmd is, recht op afgifte van met een verborgen camera gemaakte beelden? Binnenkort buigt de Hoge Raad zich hierover. De zaak draait om toepassing van art. 843a Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Met dat artikel kan inzage in bepaalde bescheiden worden gevorderd.

Verborgen camera

De zaak waarin deze vraag speelt, gaat over beeld- en geluidsmateriaal dat TROS tijdens een infiltratie van een callcenter van telecom aanbieder Pretium heeft verkregen. Het betreft volgens het arrest van het Hof, waartegen cassatie is ingesteld, ‘onderzoeksmateriaal dat is verkregen door een journalist bij zijn onderzoek naar een mogelijke maatschappelijke misstand, namelijk de mogelijk onzorgvuldige/agressieve wijze van telefonische kwantenwerving door Pretium’.

Pretium vordert afgifte van dit materiaal van TROS, op grond van art 843 a Rv. Daarin staat kort gezegd dat eenieder afgifte van stukken kan vorderen. Dit wordt ook wel exhibitie genoemd. In dit geval stelt Pretium dat TROS zich schuldig heeft gemaakt aan onrechtmatige uitlokking en/of het manipuleren van het beeldmateriaal. Daarom stelt zij afgifte van de verborgen camera beelden nodig te hebben.

Het Hof oordeelt dat een dergelijke exhibitie in dit geval een ‘chilling effect’ kan hebben op de persvrijheid, in die zin dat journalisten terughoudender worden als gedwongen afgifte dreigt, als gevolg waarvan (ernstige) misstanden niet meer openbaar zullen worden. Afgifte zou volgens het Hof ook ertoe kunnen leiden dat de bekend wordt welke beelden journalisten wel en niet selecteren, onderzoeksmethodes van journalisten kenbaar worden, en de gefilmde personen – gelet op hun privacy – journalisten verantwoordelijk zullen houden voor het bekend worden van de beelden.

Het Hof kwalificeert de gevorderde afgifte van het verborgen camera als inbreuk op art. 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Tegelijk oordeelt het Hof dat uit art. 843a Rv volgt dat een getuigenverhoor over hetgeen is opgenomen had kunnen – en daarom moeten – worden gestart. Het Hof oordeelt dus dat voor afgifte van het beeld- en geluidsmateriaal geen plaats is.

Bronbescherming vs onderzoeksmateriaal

De adviseur (PG) van de Hoge Raad, waar de zaak momenteel ligt, maakt een onderscheid tussen rechtszaken waarin de bron van een journalist moet worden beschermd enerzijds en onderzoeksmateriaal anderzijds. Uit rechtspraak over artikel 10 EVRM volgt dat dat artikel ook kan worden toegepast als het gaat om dat laatste, maar mogelijk met een minder vergaand beschermingsniveau.

Anders gezegd: mogelijk is er minder snel sprake van inbreuk op art. 10 EVRM bij verborgen camera beelden gemaakt als onderzoeksmateriaal, dan bij beelden gebruikt door een journalist om diens bron te interviewen, en de bron dat weet. Dit volgt uit rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).

“Uit deze uitspraak van het EHRM valt op te maken dat informatie, verkregen van personen die zich niet ervan bewust zijn dat zij informatie aan een journalist verstrekken, niet is aan te merken als een ‘journalistieke bron’ in de zin van het arrest-Goodwin: voor hen geldt niet dat zij door de mogelijkheid van bekendmaking als ‘bron’ kunnen worden afgeschrikt om informatie te verstrekken aan een journalist. De sterke bescherming van journalistieke bronnen onder art. 10 EVRM is daarom niet van toepassing. Wel kan een minder vergaande bescherming geboden zijn wanneer het risico om bepaald onderzoeksmateriaal (hier: het beeldmateriaal dat met een verborgen camera is verkregen) of een bepaalde onderzoeksmethode te moeten prijsgeven een afschrikwekkende werking kan hebben op de persvrijheid (‘may have a chilling effect on the excercise of journalistic freedom of expression’). Of laatstbeoelde situatie zich voordoet, moet volgens het EHRM worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval.’

Concrete beoordeling afgifte materiaal

Had het Hof het nu bij het juiste eind de afgifte van het verborgen camera materiaal te weigeren? Volgens de PG heeft het Hof voldoende duidelijk gemaakt op welke gronden zij heeft geoordeeld. Het Hof heeft onder meer het chilling effect omschreven en (juist) beoordeeld.

Voorlopig getuigenverhoor of meteen inzage?

De interessante vraag is vervolgens of Pretium voor een getuigenverhoor had moeten gaan, in plaats van exhibitie van het verborgen camera materiaal.

Argument van Pretium is dat een getuigenverhoor tijdrovend en kostbaar is, en de gedachte dat een getuigenverhoor altijd betere informatie zou opleveren neerkomt op een ‘verboden bewijsprognose’. Momenteel is er bovendien een wetsvoorstel aanhangig waaruit volgens de toelichting blijkt dat “het recht op afschrift van bescheiden niet langer een soort ultimum remedium is”. Tegelijkertijd wordt er een verschil gesignaleerd tussen het inzagerecht en andere wijzen van informatie verzameling, namelijk dat “het geven van inzage in bescheiden zonder de rechter mogelijk is. Voor het horen van getuigen (…) ligt dat anders. (…) De tussenkomst van de rechter is voor deze bewijsmiddelen dus onontkoombaar.” Er liggen momenteel ook aanbevelingen aan de wetgever om inzage gelijk te trekken met andere voorlopige bewijsverrichtingen, naar de volgende maatstaven:

  • de bescheiden moeten voldoende bepaald zijn
  • degene die de bescheiden ter inzage vraag moet voldoende belang hebben
  • het verzoek mag niet in strijd zijn met de goede procesorde
  • er mag geen misbruik van recht zijn
  • er kunnen zwaarwegende of gewichtige redenen zijn voor afwijzing van de inzage of afgifte

Naar huidig recht bestaat echter nog steeds de afwijzingsgrond die het Hof in de zaak tussen TROS en Pretium toepast, volgens de PG op goede gronden. Dit omdat thans nog steeds moet worden beoordeeld of er een ander middel is c.q. de informatie ook langs andere weg is of kan worden verkregen (‘subsidiariteit’). De PG benadrukt ook het momenteel bestaande essentiële verschil tussen beide middelen:

“Wanneer tijdens een getuigenverhoor verschil van mening ontstaat over de vraag of een bepaalde vraag van een der partijen aan de getuige toelaatbaar is, kan de rechter onmiddellijk daarover beslissen. Bij toewijzing van een gevorderd bevel tot afgifte van bescheiden (in dit geval: van het beeld- en geluidmateriaal) op straffe van verbeurte van een dwangsom, is het meteen alles of niets. Bij verschil van mening of een bepaald bescheid echt wel relevant is voor hetgeen bewezen moet worden, resteert slechts de mogelijkheid van een 411d Rv-procedure of een executiegeschil achteraf. De executiegeschillen tussen Pretium en de TROS illustreren dit voor het onderhavige geval.”

Naar toekomstig recht zal de grond van subsidiariteit weliswaar wegvallen, maar de AG wijst erop dat dan nog steeds mogelijk is een beroep te doen op gewichtige redenen.

Wat nu? Afgifte of niet?

Het is nu afwachten of de Hoge Raad met de PG ook oordeelt dat het verborgen camera materiaal inderdaad niet hoeft te worden afgegeven, en of in dit geval Pretium (g)een ander middel ten dienste stond dan inzage. Wordt vervolgd.

Joost Becker, advocaat IE-IT

 

 

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen