Home > Privacyrecht > Rb Rotterdam: niet noemen Wbp in inzageverzoek maakt verzoek niet-appellabel
Rb Rotterdam: niet noemen Wbp in inzageverzoek maakt verzoek niet-appellabel

Rb Rotterdam: niet noemen Wbp in inzageverzoek maakt verzoek niet-appellabel

De Rechtbank Rotterdam heeft op 23 augustus 2017 geoordeeld dat wanneer bij een inzageverzoek een verwijzing naar de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) ontbreekt, dat het verzoek dan kwalificeert als een verzoek tot het verrichten van een feitelijke handeling en niet als een verzoek tot het nemen van een besluit. Dit betekent dat het verzoek niet ter toetsing aan de rechter kan worden voorgelegd. De vraag is of dat in lijn is met de privacyrichtlijn.

Verzoek om inzage camerabeelden

De kwestie is heel overzichtelijk: een man vraagt aan het Drechtstedenbestuur inzage in bepaalde camerabeelden. Dat verzoek wordt gedaan bij brief van 16 november 2016. Later stelt de man bij brief van 13 januari 2017 het bestuur in gebreke.

Man in beroep bij de rechtbank

De man heeft in de tussentijd nog steeds geen reactie ontvangen. Daarop dient hij op 14 maart 2017 een beroepschrift in bij de rechtbank wegens het niet tijdig nemen van een besluit.

Reactie: beelden zijn er niet meer

Uiteindelijk volgt er op 20 maart 2017 een reactie: de beelden zijn er niet meer.

Man wenst dwangsom

De man procedeert door, maar nu alleen nog om de dwangsom wegens het niet tijdig beslissen te kunnen incasseren.

Oordeel rechtbank: eerste verzoek was geen aanvraag

De rechtbank is er kennelijk snel klaar mee (wellicht speelt mee dat de man inhalig lijkt te zijn?).

De rechtbank overweegt namelijk dat het verzoek om inzage in de beelden niet kwalificeert als een aanvraag:

5.2 De rechtbank is allereerst van oordeel dat de brief van 16 november 2016 geen aanvraag is in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Anders dan in het beroepschrift is daarin de Wbp niet genoemd. Het gaat dus om een verzoek tot feitelijke inzage van camerabeelden.

Oordeel rechtbank: afhandeling als klacht logisch

De rechtbank constateert verder dat het verzoek van de man is afgehandeld als klacht. De rechtbank vindt daar kennelijk weinig op af te dingen. Tegen klachtafhandeling staat verder geen beroep open.

Eerdere kwesties

De kwestie doet denken aan een eerder oordeel van de Raad van State, waar bij een inzageverzoek ook niet expliciet naar de Wbp was verwezen. Ook daar was de Raad van oordeel dat geen sprake was van een aanvraag.

Op deze blog heb ik ook eens geschreven over een diametraal ander oordeel van de rechtbank Utrecht, waarbij juist geen verwijzing naar de Wbp nodig werd geacht om toch de korte termijnen voor beroep te laten lopen.

Vrijelijk en zonder beperkingen?

Vanuit bestuursrechtelijk perspectief mag er van alles voor te zeggen zijn dat een verzoek waarbij niet naar een wet wordt verwezen wellicht niet kwalificeert als “besluit”. Het is aan specialisten bestuursrecht om zich daar in detail over uit te laten.

Wat ik mij afvraag is of het opwerpen van dergelijke drempels wel in lijn is met (de ratio van) het privacyrecht.

Het privacyrecht moet immers worden uitgelegd tegen de achtergrond van de grondrechten (zie bijv. r/o 54 inzagerecht-arrest HvJEU). Bij het grondrecht op vrije meningsuiting of een ander grondrecht vereisen we toch ook niet dat de betrokkene zich daar expliciet op beroept? Ik mag althans hopen dat ik niet bij iedere opvatting die ik uit steeds ook de woorden “vrijheid van meningsuiting” moet gebruiken.

Bovendien staat letterlijk in de privacyrichtlijn dat de lidstaten moeten waarborgen dat de betrokkene “vrijelijk en zonder beperking” o.a. een inzageverzoek kan doen. Ik vraag me af of het moeten vermelden van de woorden “Wbp” of “wet bescherming persoonsgegevens” in een dergelijk verzoek niet kwalificeert als beperking.

De hele gedachte van het inzagerecht is nu juist dat de betrokkene kan controleren of zijn gegevens wel juist worden verwerkt. Zie in dat kader ook de overwegingen uit het Rijkeboer-arrest:

48      (…) het feit dat aan personen wier gegevens het voorwerp van verwerkingen zijn, het recht wordt verleend om daarvan in kennis te worden gesteld, tot die gegevens toegang te krijgen, de rectificatie ervan te verlangen en zelfs om zich in bepaalde omstandigheden tegen verwerking te verzetten.

49      Dit recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer impliceert dat de betrokkene zich ervan kan vergewissen dat zijn persoonsgegevens juist en rechtmatig worden verwerkt, dat wil met name zeggen dat de hem betreffende basisgegevens juist zijn en dat zij worden verstrekt aan gemachtigde ontvangers. Zoals in punt 41 van de considerans van de richtlijn wordt uiteengezet, moet de betrokkene over het recht beschikken om toegang te verkrijgen tot de gegevens die het voorwerp van een verwerking vormen en hemzelf betreffen, zodat hij de nodige controles kan verrichten.

In het Google Spain arrest wordt in dit kader zelfs naar het Handvest van de Grondrechten van de EU verwezen:

69. Aldus waarborgt artikel 7 van het Handvest het recht op eerbiediging van het privéleven, terwijl artikel 8 van het Handvest uitdrukkelijk het recht op bescherming van persoonsgegevens waarborgt. De leden 2 en 3 van laatstgenoemd artikel preciseren dat deze gegevens eerlijk moeten worden verwerkt, voor bepaalde doeleinden en met toestemming van de betrokkene of op basis van een andere gerechtvaardigde grondslag waarin de wet voorziet, dat eenieder het recht van inzage heeft in de over hem verzamelde gegevens en op rectificatie daarvan en dat een onafhankelijke autoriteit erop toeziet dat deze regels worden nageleefd. Deze vereisten zijn met name bij de artikelen 6, 7, 12, 14 en 28 van richtlijn 95/46 uitgevoerd.

Verderop in hetzelfde Google Spain-arrest benadrukt het Hof dat een betrokkene een correctieverzoek rechtstreeks kan richten aan de verantwoordelijke.

77      De verzoeken krachtens de artikelen 12, sub b, en 14, eerste alinea, sub a, van richtlijn 95/46 kunnen door de betrokkene rechtstreeks aan de voor de verwerking verantwoordelijke worden gericht, die vervolgens naar behoren de gegrondheid van deze verzoeken moet onderzoeken en, in voorkomend geval, de betrokken gegevensverwerking moet beëindigen. Wanneer de voor de verwerking verantwoordelijke daaraan geen gevolg geeft, kan de betrokkene een verzoek indienen bij de toezichthoudende autoriteit of de rechter, zodat zij de nodige controles uitvoeren en naar aanleiding daarvan deze verantwoordelijke nauwkeurige maatregelen opleggen.

Over vormvoorschriften wordt in de overweging uitdrukkelijk niet gerept.  Nu ging de kwestie daar ook niet over, dus daar zijn niet te veel conclusies aan te verbinden. Niettemin vraag ik me af of het opwerpen van formaliteiten geen afbreuk doet aan het zogenaamde “nuttig effect” van de richtlijn.

Met andere woorden: ongeacht hoe ons bestuursrecht in elkaar zit, er zal aan de privacyrichtlijn moeten worden voldaan. Gelet op de uitleg die het Hof van Justitie aan de privacyrichtlijn heeft gegeven, vraag ik me af of het bestuursrechtelijke onderscheid tussen een “aanvraag” en een “verzoek tot feitelijk handelen” houdbaar is.

Conclusie

Voor wie zelf een inzageverzoek doet geldt: om gedoe te voorkomen is het verstandig in de betreffende brief naar de Wbp te verwijzen. Vergeet u dit, ga dan tijdig in beroep wanneer u geen of een afwijzende beslissing ontvangt, onder verwijzing naar de argumenten uit deze blog.

Wie een inzageverzoek ontvangt: houd er rekening mee dat de betrokkene relatief eenvoudig en relatief betaalbaar naar de rechter kan stappen om uw beslissing aan te vechten. Zorg er dus voor dat inzageverzoeken als zodanig worden herkend en afgehandeld, ongeacht of er naar de wet wordt verwezen of niet.

Mocht u vragen hebben over het privacyrecht, neem dan contact met mij op.

Mark Jansen
advocaat IT- en privacyrecht

 

 

 

  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Google Plus
  • del.icio.us
  • email
  • PDF
  • Print
Naar boven scrollen